De diagnostiek van dysplastische heupontwikkeling: De betekenis van anamnestische gegevens en onderzoeksbevindingen

M.M. Boere-Boonekamp, A.H.M. Kerkhoff, P.B. Schuil, G.A. Zielhuis

    Research output: Contribution to journalArticleAcademicpeer-review

    1 Citation (Scopus)

    Abstract

    Een dysplastische heupontwikkeling (DHO) komt voor bij circa 3 procent van aIle zuigelingen. Tijdige behandeling is van groot belang. De huisarts en de consultatiebureau-arts spelen een belangrijke rol bij de vroege opsporing. De klassieke methoden door middel van anamnese en lichamelijk onderzoek bieden maar beperkt houvast. Lichamelijk onderzoek van de heupen in de neonatale peri ode heeft aIleen waarde voor het terugdringen van het aantalluxaties dat zich anders bij oudere zuigelingen en peuters zou manifesteren. De voorspellende waarde van afwijkende bevindingen bij het lichamelijk onderzoek op zuigelingenleeftijd is teleurstellend. Pas bij een combinatie van risicofactoren en/of afwijkende bevindingen bij lichamelijk onderzoek bereikt de positiefvoorspellende waarde een redelijk niveau. Omdat de genoemde methoden van opsporing niet toereikend blijken en slechts marginale verbeteringen mogelijk zijn, is onderzoek noodzakelijk naar de toepassingsmogelijkheden van andere screeningsmethoden.
    Original languageDutch
    Pages (from-to)236-243
    Number of pages8
    JournalHuisarts en wetenschap
    Volume40
    Issue number6
    Publication statusPublished - 1997

    Cite this