De rechtsbasis voor militair ingrijpen in Irak

Guido den Dekker, Ramses A. Wessel

Research output: Contribution to journalArticleAcademic

Abstract

De problemen die de inspectieteams van de Verenigde Naties (VN) hebben ondervonden bij de controle op massavernietigingswapens in Irak zijn
maandenlang voorpagina-nieuws geweest. In de laatste maanden van 1997 dreigde de situatie reeds te escaleren, toen Irak de toegang tot inspectieplaatsen weigerde aan Amerikaanse wapeninspecteurs, en eind februari 1998 bereikte de crisis opnieuw een dramatisch hoogtepunt. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, slaagde er ternauwernood in een militaire confrontatie met Irak te voorkomen. Er werd een overeenkomst getekend waarin Irak zich verbindt om mee te werken aan de uitvoering van de resoluties van de Veiligheidsraad en meer in het bijzonder om onmiddellijke, onvoorwaardelijke
en onbeperkte toegang te verlenen tot die plaatsen die van belang zijn voor de wapeninspecties.
De juridische discussie heeft zich toegespitst op de vraag of de Verenigde
Staten en zijn coalitiegenoten zonder nadere machtiging van de Veiligheidsraad
over konden gaan tot militair optreden om de naleving door Irak van zijn verplichtingen uit hoofde van de relevante resoluties, met name 687 (1991) en 715 (1991) af te dwingen.2 In dit artikel zullen wij beargumenteren waarom naar onze mening een militair ingrijpen in Irak onmogelijk is zonder een nieuwe resolutie van de Veiligheidsraad die daartoe expliciet machtig. Alvorens we op deze rechtsvraag ingaan, zal worden gekeken naar de oorsprong van het conflict en de achtergronden van de wapeninspecties in Irak.
Original languageDutch
Pages (from-to)8-21
JournalMerkourios
Volume18
Issue number53
Publication statusPublished - 1998

Cite this